slapen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sla·pen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| slapen slapə |
sliep slip |
geslapen ɣəslapə |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
slapen
- in een toestand verkeren waarbij de ademhaling dieper en trager verloopt, en de hartslag trager, en er minder energie wordt gebruikt
- Zij slapen goed de laatste tijd.
- Zij zullen met z'n allen gaan slapen in dat kleine hutje.
- (informeel) niet goed opletten, niet alert genoeg zijn
- De Tweede Kamer heeft weer zitten slapen.
- (elektronica) in stand-by verkeren
- Als de computer slaapt, even met de muis bewegen of de "ENTER" toets indrukken.
- (van ledematen) tintelen nadat er enige tijd geen spieren zijn gebruikt
- Mijn benen slapen.
Afgeleide begrippen
- [1] slaapfeest, slaapkop, slaapmuts, slaapthee, slaaptrein
- [2] slaapstand
Vertalingen
1. Lichamelijke toestand
|
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Zelfstandig naamwoord
slapen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord slaap