pauzeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pau·ze·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pauzeren
pauzeerde
gepauzeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

pauzeren

  1. (inergatief) een pauze houden
    Zullen we even pauzeren?
  2. (inergatief) even stoppen met een bezigheid
    Hij pauzeert om zijn antwoord zorgvuldig te formuleren.
Vertalingen