duiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederlandse duden (Vlaams: dieden), van het Oudhoogduitse diuten, van het Oudfriese bithiuda, van het Oudengelse geðiedan, van het Oudnoorse þýða en þeuðō ("volk"). Mogelijk betekende "dieden" 'voor het volk begrijpelijk maken' ofwel 'aan het volk uitleggen'.[1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
duiden
duidde
geduid
zwak -d volledig

Werkwoord

duiden

  1. (overgankelijk) uitleggen, verklaren, begrijpelijk maken
    Een hoofdkenmerk [van de rationaliteit] is dat de mens zich 'afzet' van zijn ogmeving, die hij trouwens rationeel probeert te duiden.[2]
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. duiden op etymologiebank.nl
  2. Pas, Jens (2009). De kikker en de oceaan. Over het belang van emotie in een wereld van kennis, p. 32. Uitg.: Academia Press, ISBN 9789038215075.