legde uit
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- leg·de uit
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| uitleggen |
legde uit
- enkelvoud verleden tijd van uitleggen
- Ik legde uit.
- Jij legde uit.
- Hij, zij, het legde uit.
- Ik legde uit.