toets

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toets
enkelvoud meervoud
naamwoord toets toetsen
verkleinwoord toetsje toetsjes

Zelfstandig naamwoord

toets m

  1. (muziek) een knop op zekere muziekinstrumenten die een mechaniek in werking stelt om een bepaalde toon voort te brengen
  2. (muziek) deel van de hals van zekere snareninstrumenten waartegen een snaar afgeklemd wordt om de toonhoogte van de snaar te veranderen
  3. een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
  4. (onderwijs) een al of niet gestandaardiseerde controle om te bewijzen dat een lerende heeft voldaan aan de gestelde leerdoelen
  5. een test of onderzoek
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
toetsen

toets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toetsen
    Ik toets.
  2. gebiedende wijs van toetsen
    Toets!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toetsen
    Toets je?

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.