toets
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- toets
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toets | toetsen |
| verkleinwoord | toetsje | toetsjes |
Zelfstandig naamwoord
toets m
- (muziek) een knop op zekere muziekinstrumenten die een mechaniek in werking stelt om een bepaalde toon voort te brengen
- (muziek) deel van de hals van zekere snareninstrumenten waartegen een snaar afgeklemd wordt om de toonhoogte van de snaar te veranderen
- een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
- (onderwijs) een al of niet gestandaardiseerde controle om te bewijzen dat een lerende heeft voldaan aan de gestelde leerdoelen
- een test of onderzoek
Verwante begrippen
- [4] examen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| toetsen |
toets
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toetsen
- Ik toets.
- gebiedende wijs van toetsen
- Toets!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van toetsen
- Toets je?
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.