straal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /straɫ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈstral/
Woordafbreking
- straal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | straal | stralen |
| verkleinwoord | straaltje | straaltjes |
Zelfstandig naamwoord
- (wiskunde) een rechte lijn vanaf het middelpunt naar een punt op een boloppervlak of cirkelomtrek
- Neem de straal tussen de punten van een passer, en trek de cirkel.
- (natuurkunde) een rechte, smalle bundel van elektromagnetische straling (licht, radio, warmte, röntgen enz.)
- Een laser geeft een perfecte straal licht.
- (natuurkunde) een smalle bundel van een gas of vloeistof die door overdruk uit een vat of slang spuit
- Bij een slagaderlijke bloeding spuit het bloed er in een straal uit.
Synoniemen
- [1] radius
Antoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] kromtestraal
- [2] bestraling, lichtstraal, straalkachel, straalzender, straling, zonnestraal
- [3] straalaandrijving, straalmotor, waterstraal,
Verwante begrippen
- [1] bol, cilinder, cirkel, middellijn, rechte
- [2] laser, reflector, schijnwerper, vuurtoren, zoeklicht
- [3] fontein, brandslang, druk, lekkage, spuit, steekvlam, turbine, uitlaatpijp, voorstuwing, waterkanon, waterkraan
Vertalingen
1. de lijn van middelpunt naar omtrek
2. een bundel elektromagnetische straling
Bijwoord
straal
- (psychologie) zonder de aanwezigheid van anderen te willen of kunnen opmerken
- Hij negeert ons, of hij was in gedachten verzonken want hij liep ons straal voorbij.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| stralen |
straal
