stralen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stra·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stralen
straalde
gestraald
zwak -d volledig

Werkwoord

stralen (inergatief)

  1. (inergatief) straling uitzenden
    De zon straalt bijzonder helder vandaag.
  2. (inergatief) licht weerkaatsen
    De maan straalt bijzonder helder vannacht.
  3. (inergatief) een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
    Na zijn spectaculaire prestatie straalde hij helemaal.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

stralen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord straal