stralen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈstralə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈstralə(n)/
Woordafbreking
- stra·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stralen |
straalde |
gestraald |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stralen (inergatief)
- (inergatief) straling uitzenden
- De zon straalt bijzonder helder vandaag.
- (inergatief) licht weerkaatsen
- De maan straalt bijzonder helder vannacht.
- (inergatief) een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
- Na zijn spectaculaire prestatie straalde hij helemaal.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
- [1, 2] schijnen
Vertalingen
1. straling uitzenden
2. licht weerkaatsen
3. een heel blije uitdrukking op het gezicht hebben
Zelfstandig naamwoord
stralen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord straal