schotel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scho·tel
enkelvoud meervoud
naamwoord schotel schotels
verkleinwoord schoteltje schoteltjes

Zelfstandig naamwoord

schotel v/m

  1. platte ronde schaal met opstaande rand
    Hij legde de gebraden kip op een schotel.
  2. een gerecht
    Onze specialiteit is een schotel van waterkonijn in een mosterdsabayon op rijst.
  3. (meestal verkleinwoord) een schaaltje onder een kopje
    Leg het lepeltje maar op het schoteltje van het koffiekopje.
  4. een antenne voor televisieontvangst
    De buren hebben een schotel om buitenlandse zenders te ontvangen.
  5. een vliegende schotel: een omstreden discusvormig object dat door de lucht zweeft, ufo
    De man beweerde gisternacht een vliegende schotel te hebben gezien.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen