schop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schop
enkelvoud meervoud
naamwoord schop schoppen
verkleinwoord schopje schopjes

Zelfstandig naamwoord

schop m

  1. een trap met de voet
    Ik heb hem daarop een grote schop verkocht.
  2. een graafwerktuig
    Om dat het veld met de schop om te spitten is een heel karwei.
  3. (kaartspel) gewoonlijk schoppen, één van beide zwarte speelkleuren
    Ik kon gelukkig op die ingetroefde slag mijn vuile schopje kwijt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Op de schop nemen.
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schoppen

schop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoppen
    Ik schop.
  2. gebiedende wijs van schoppen
    Schop!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoppen
    Schop je?

Meer informatie