schop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schop | schoppen |
| verkleinwoord | schopje | schopjes |
Zelfstandig naamwoord
schop m
- een trap met de voet
- Ik heb hem daarop een grote schop verkocht.
- een graafwerktuig
- Om dat het veld met de schop om te spitten is een heel karwei.
- (kaartspel) gewoonlijk schoppen, één van beide zwarte speelkleuren
- Ik kon gelukkig op die ingetroefde slag mijn vuile schopje kwijt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] strafschop, doodschop
Uitdrukkingen en gezegden
- Op de schop nemen.
Overerving en ontlening
- [1]
- Manado-Maleis: skop
Vertalingen
1. een trap met de voet
op de schop nemen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schoppen |
schop
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoppen
- Ik schop.
- gebiedende wijs van schoppen
- Schop!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoppen
- Schop je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.