centrum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord centrum centra
centrums
verkleinwoord centrumpje centrumpjes

Zelfstandig naamwoord

centrum o

  1. middelpunt,in het midden gelegen
  2. binnenstad
  3. plaats waar bepaalde activiteiten geconcentreerd zijn
  4. (politiek) het midden van het politieke spectrum
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·trum
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse zelfstandige naamwoord zenter, dat van het Latijnse zelfstandige naamwoord centrum (=middelpunt) komt, dat weer van het Griekse zelfstandige naamwoord "kéntron" (= stekel, stekelstaf; rustend passerbeen), dat van het Griekse werkwoord "kenteĩn" (= steken, inprikken) afgeleid is
Naar frequentie 4346
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   centrum     centrumet
centret
(centrum)  
  centrum
centrer
centra  
  centrumen
centrerna
(centra)  
genitief   centrums     centrumets
centrets
(centrums)  
  centrums
centrers
centras  
  centrumens
centrernas
(centras)  

Zelfstandig naamwoord

centrum, o

  1. centrum, centrum van de stad, middelpunt
    «Det är inte ofta nya affärslokaler invigs i centrum
    Het gebeurt niet vaak dat nieuwe winkels worden geopend in het centrum van de stad.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen