plicht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- plicht
Woordherkomst en -opbouw
Afgeleid van het werkwoord plegen met betekenis "instaan voor" [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | plicht | plichten |
| verkleinwoord | plichtje | plichtjes |
Zelfstandig naamwoord
- een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen
- Het is ieders plicht om ze te beschermen.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- plichtelijk, plichtsbesef, plichtenleer, plichtgetrouw, plichtsgetrouw, plichtig, plichtmatig, plichtsgetrouw, plichtsverzuim
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een taak die men op zich genomen heeft of opgelegd heeft gekregen