plegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plegen
'pleɣə(n)
pleegde
'pleɣdə
gepleegd
ɣə'plext
1. zwak -d volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
plegen
'pleɣə(n)
placht
plɑxt
-
2. zwak -cht volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • ple·gen

Werkwoord

plegen

  1. een gewoonlijk verboden handeling uitvoeren
    Hij pleegde een dubbele moord.
  2. (verouderd) gewoon zijn, vaak doen
    Hij placht iedere week naar de schouwburg te gaan.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: ontucht plegen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen