plak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plak
enkelvoud meervoud
naamwoord plak plakken
verkleinwoord plakje plakjes

Zelfstandig naamwoord

plak v / m [1] [2]

  1. spul waarmee men kan plakken bijv. behangplak, lijm [3]
  2. (voeding) afgesneden stuk (schijf) van iets groters [4]
  3. (sport) (informeel) medaille
  4. (medisch) plaque -> tandplak [5] [6]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
plakken

plak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
    Ik plak.
  2. gebiedende wijs van plakken
    Plak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plakken
    Plak je?
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. etymologiebank.nl
  5. etymologiebank.nl
  6. etymologiebank.nl