alarm
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- alarm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | alarm | alarmen |
| verkleinwoord | alarmpje | alarmpjes |
Zelfstandig naamwoord
alarm o
- een waarschuwing tegen gevaar.
- Het alarm van de winkel ging af.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Turks
Zelfstandig naamwoord
alarm