ontslaan
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ont·slaan
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ontslaan |
ontsloeg |
ontslagen |
| klasse 6 | volledig | |
Werkwoord
ontslaan
- (overgankelijk) (m.b.t. een werknemer) de arbeidsovereenkomst beëindigen van, meestal wegens onbekwaamheid of wangedrag van de werknemer
- (overgankelijk) (+ van) ontheffen (van), vrijstellen (van): iemand ontslaan van een verplichting
- (overgankelijk) beëindigen van een ziekenhuisopname
- De patiënt werd drie dagen na de opname weer uit het ziekenhuis ontslagen.
Vertalingen
1. arbeidsovereenkomst beëindigen