lijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lijk
enkelvoud meervoud
naamwoord lijk lijken
verkleinwoord lijkje lijkjes

Zelfstandig naamwoord

lijk o

  1. een dood lichaam
    Een lijk noemt men ook wel "een stoffelijk overschot".
  2. (scheepvaart) tegenwoordig, een zijde van een zeil, vroeger de omzoomde zeilrand waarin een touw was ingenaaid
    Het voorlijk van de fok wordt met leuvers aan de voorstag bevestigd.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lijken

lijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken
    Ik lijk.
  2. gebiedende wijs van lijken
    Lijk!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lijken
    Lijk je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen