lag
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /lɑχ/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /lɑx/
Woordafbreking
- lag
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| liggen |
lag
- enkelvoud verleden tijd van liggen
- Ik lag.
- Jij lag.
- Hij, zij, het lag.
- Ik lag.
Gelijkklinkende woorden
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| lag |
gelag |
| volledig | |
Werkwoord
lag
- lachen
- «Ek het baie gelag.»
- Ik heb erg gelachen.
- «Ek het baie gelag.»