lichten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- lich·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| lichten |
lichtte |
gelicht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
lichten
- (onpersoonlijk) beginnen licht te worden
- Het lichtte al aan de horizon toen hij eindelijk in slaap viel.
- (onpersoonlijk) bliksemen
- Hij zag het lichten in de verte en maakte zich ongerust over het naderende onweer.
- (overgankelijk) uit liggende positie opnemen
- De tegels werden gelicht en het werk kon beginnen.
Zelfstandig naamwoord
lichten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord licht