oplichten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·lich·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oplichten
lichtte op
opgelicht
zwak -t volledig

Werkwoord

oplichten

  1. (overgankelijk) van de bodem opheffen
    Hij lichtte het vloerkleed op.
  2. (overgankelijk) met bedrog iemand geld afhandig maken
    Hij lichtte hem op en beroofde hem van al zijn spaargelden.
  3. (ergatief) helder worden, meer licht gaan geven
    Bij het horen van het goede nieuws lichtten zijn ogen op.
Vertalingen