oplichten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·lich·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| oplichten |
lichtte op |
opgelicht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
oplichten
- (overgankelijk) van de bodem opheffen
- Hij lichtte het vloerkleed op.
- (overgankelijk) met bedrog iemand geld afhandig maken
- Hij lichtte hem op en beroofde hem van al zijn spaargelden.
- (ergatief) helder worden, meer licht gaan geven
- Bij het horen van het goede nieuws lichtten zijn ogen op.
Vertalingen
2. met bedrog iemand geld afhandig maken