koek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- koek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | koek | koeken |
| verkleinwoord | koekje | koekjes |
Zelfstandig naamwoord
koek m
- een baksel uit de oven met als belangrijkste ingrediënt deeg. Er zijn veel varianten, bijvoorbeeld met chocola, rozijnen of glazuur
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
- Iets voor zoete koek aannemen
- Iets goedgelovigs zonder morren voor waar aannemen
- Dat is gesneden koek voor mij
- Daar heb ik geen moeite mee
- Alles is koek en ei
- Alles is oké
- Dat is andere koek!
- Dat is heel iets anders
- Een koekje van eigen deeg geven
- Met gelijke middelen wraak nemen
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| koeken |
koek