koek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koek
enkelvoud meervoud
naamwoord koek koeken
verkleinwoord koekje koekjes

Zelfstandig naamwoord

koek m

  1. een baksel uit de oven met als belangrijkste ingrediënt deeg. Er zijn veel varianten, bijvoorbeeld met chocola, rozijnen of glazuur
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Iets voor zoete koek aannemen
  • Iets goedgelovigs zonder morren voor waar aannemen
  • Dat is gesneden koek voor mij
  • Daar heb ik geen moeite mee
  • Alles is koek en ei
  • Alles is oké
  • Dat is andere koek!
  • Dat is heel iets anders
  • Een koekje van eigen deeg geven
  • Met gelijke middelen wraak nemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
koeken

koek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koeken
    Ik koek.
  2. gebiedende wijs van koeken
    Koek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koeken
    Koek je?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen