biscuit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·cuit
enkelvoud meervoud
naamwoord biscuit [1,2] biscuits [2]
verkleinwoord biscuitje [2] biscuitjes [2]

Zelfstandig naamwoord

biscuit o of m

  1. o: een droog en bros gebak
    In de bakkerij wordt enkel biscuit gemaakt.
  2. m of o: een koekje van het biscuitgebak
    Kun je mij twee biscuitjes aangeven?

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen