keel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| 3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | keel | |
| verkleinwoord |
Woordafbreking
- keel
Zelfstandig naamwoord
| 1,2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | keel | kelen |
| verkleinwoord | keeltje | keeltjes |
keel
- v/m (anatomie) voorste, uitwendige gedeelte van de hals.
- v/m: holte en opening achter in de mond waardoor voedsel en drank in het lichaam komen.
- o: (heraldiek) rood.
Spreekwoorden
- De baard in de keel hebben.
- De overgang van jongensstem naar mannenstem ondergaan hebben (door de groei van het strottenhoofd)
- De keel schrapen.
- Een schrapend geluid maken in de keel, als voorbereiding om te gaan spreken.
- De keel smeren.
- Drinken (met name alcoholische dranken)
- Een keel opzetten.
- Schreeuwen.
- Het hangt mij de keel uit.
- Ik heb er genoeg van.
- Iemand het mes op de keel zetten.
- Iemand bedreigen.
- Iemand naar de keel vliegen.
- Iemand aanvallen.
- Iets niet door de keel krijgen.
- Iets niet op kunnen eten.
- Zijn hart klopte in zijn keel.
- Hij was heel erg ongerust, bang.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Estisch
Zelfstandig naamwoord
keel