kelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ke·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kelen
keelde
gekeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kelen

  1. (overgankelijk) (militair) iemand doden door het afsnijden van de keel
    Met een snelle haal van zijn mes keelde hij zijn vijand.

Zelfstandig naamwoord

kelen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord keel