hopen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ho·pen
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hopen /ˈɦoːpə(n)/ |
hoopte /ˈɦoːptə/ |
gehoopt /ɣəˈɦoːpt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
hopen
- (overgankelijk) wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
- Hij hoopte dat hij zijn proefwerk had gehaald.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. wensen, graag zien dat er iets wel of niet voorvalt
|
|
Zelfstandig naamwoord
hopen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hoop