hail

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Middelengelse woord heilen
  • [B] Afkomstig van het Oudengelse woord hægl
enkelvoud meervoud
hail -

Zelfstandig naamwoord

[A] hail

  1. aanroep
  2. roep

Zelfstandig naamwoord

[B] hail

  1. (meteorologie) hagel
vervoeging
onbepaalde wijs to hail
he/she/it hails
verleden tijd hailed
voltooid
deelwoord
hailed
onvoltooid
deelwoord
hailing
gebiedende wijs hail

Werkwoord

[A] hail

  1. aanroepen, praaien
  2. groeten
  3. begroeten
    «Prime Minister Nawaz Sharif hailed the 90-day pause in US drone strikes.»
    Premier Nawaz Sharif begroette de 90-daagse pauze in Amerikaanse drone-aanvallen.
  4. toejuichen
  5. loven
    «He hailed police for a tough investigation.»
    Hij loofde de politie voor een stoere onderzoek.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: Hail Mary!
Wees gegroet, Maria!

Werkwoord

[B] hail

  1. (meteorologie) hagelen
  2. (figuurlijk) hagelen
Typische woordcombinaties
  • [2]: to hail criticism
kritiek hagelen