hagelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ge·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van hagel met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hagelen
hagelde
gehageld
zwak -d volledig

Werkwoord

hagelen

  1. (onpersoonlijk), (meteorologie) het uit de hemel neerkomen van hagelstenen
    Het hagelde hard, daardoor raakte de auto beschadigd en barstte de ruit.
Vertalingen