groeten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- groe·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| groeten |
groette |
gegroet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
groeten
- (overgankelijk) een wens tot iemand of iets richten of met een gebaar beleefdheid tonen
- Hij groette mij direct toen ik zijn huis binnenkwam.
Zelfstandig naamwoord
groeten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord groet