hagel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ha·gel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hagel | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
hagel m
- bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
- Er is vandaag een vijf centimeter dikke laag hagel gevallen.
- een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
- Schiet gewoon met hagel.
Afgeleide begrippen
- [1] hagelbui, hagelen, hagelschade, hagelsteen, hagelstorm, hagelvlaag, hagelwit
- [2] hageljacht, hagelkorrel, hagelpatroon
Vertalingen
1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
|
|
2. verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Zweeds
Uitspraak
Zelfstandig naamwoord
hagel o
- hagel, bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt.
- hagel, een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel.
- een weertype waarbij het hagelt.
Verbuiging
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | hagel | haglet | hagel | haglen |
| genitief | hagels | haglets | hagels | haglens |