hagel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gel
enkelvoud meervoud
naamwoord hagel -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hagel m

  1. bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
    Er is vandaag een vijf centimeter dikke laag hagel gevallen.
  2. een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
    Schiet gewoon met hagel.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hagel o

  1. hagel, bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt.
  2. hagel, een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel.
  3. een weertype waarbij het hagelt.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hagel     haglet     hagel     haglen  
genitief   hagels     haglets     hagels     haglens