grå

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Noors

Bijvoeglijk naamwoord

grå

  1. (kleur) grijs
  2. ...
    «Den grå elghunden er en typisk spisshund.»
    De grijse elandhond is een typische spitshond.
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald /
sterk
m/v enkelvoud grå gråere gråest
o enkelvoud grått
meervoud grå,
(gråe)
bepaald / zwak
(enkelvoud en meervoud)
gråe gråere gråeste
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden

I mørket er alle katter grå.

  • Bij nacht zijn alle katten grauw.
Uitdrukkingen en gezegden

(spreektaal), (eufemisme) få avskjed på grått

  • bij iemand in ongenade fallen en zijn opzeg krijgen.

være grå i ansiktet

  • grijs worden in het gezicht

gammel og grå

  • oud en grijs

hun ble tidlig grå

  • vroeg grijs worden

sette grå hår i hodet på en

  • bezorgdheid wekken

grå eminense

  • een grijze eminentie

en grå mus

  • een grijze muis

grå stær

  • de grauwe staar

bruke de små grå (bruke hjernecellene)

  • de kleine grijze cellen gebruiken

Grå pantere

  • De Grijze Panters

Zelfstandig naamwoord

grå o

  1. (kleur) het grijs
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   grå     -     -     -  
genitief   grås     -     -     -  



Nynorsk

Bijvoeglijk naamwoord

grå

  1. (kleur) grijs
  2. ...
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald /
sterk
m/v enkelvoud grå gråare gråast
o enkelvoud grått
meervoud grå,
(gråe)
bepaald / zwak
(enkelvoud en meervoud)
gråe gråare gråaste
Afgeleide begrippen
  • blygrå, gråhåra, gråhærd
Spreekwoorden

I mørkret er alle kattar grå.

  • Bij nacht zijn alle katten grauw.
Uitdrukkingen en gezegden

ei grå mus

  • een grijze muis

den grå kvardagen

  • het leven van alledag

vere grå i tinningane

  • aan de slapen grijzen

grå som oske

  • grijs als steenpilver

eit grått hus

  • een grijs huis

få avskil på grått papir

  • bij iemand in ongenade fallen en zijn opzeg krijgen.

få grått hår

  • grijs haar bekomen

setje grå hår i hovudet på ein ((stadig) valde ein sut og bry)

  • iemand plagen [~jemandem graue Haare auf den Kopf bringen)

grå star

  • de grauwe staar

bruke dei små grå (cellene)

  • de kleine grijze cellen gebruiken

den grå eminensen

  • een grijze eminentie

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
grå
grår
grådde
grådd,
grått
volledig

grå

  1. grijzen (im Gesicht grau werden)
  2. [betrekken]] (bewölkt und diesig werden, die Helligkeit draußen wird dunkeler (grau))
  3. blazen (der Wind bläst über den See und macht die Wasseroberfläche grau)
Schrijfwijzen



Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • grå
stellend vergrotend overtreffend
grå
gråare
gråast

Bijvoeglijk naamwoord

grå

  1. grijs
    «Stenen är grå.»
    De steen is grijs.
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen