grijzen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- grij·zen
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van grijs.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| grijzen |
grijsde |
gegrijsd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
grijzen
- (ergatief) grijs worden, grijze haren krijgen
- Hij streek onwillekeurig over zijn slaap, waar het vroeger blonde haar nu sterk grijsde.[1]
Vertalingen
Verwijzingen
- ↑ blz 253, Doekoen.
door Madelon Székely-Lulofs
Uitgegeven door KITLV Uitgeverij, 2001 ISBN 90-6718-171-4
Zelfstandig naamwoord
grijzen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord grijs