christelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- chris·te·lijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | christelijk | christelijker | christelijkst |
| verbogen | christelijke | christelijkere | christelijkste |
Bijvoeglijk naamwoord
christelijk
- te maken hebbend met het christendom
- Dat is een heel christelijk land.
- (informeel) fatsoenlijk
- Ik wil wel afspreken op een christelijke tijd.
- normaal.
- Doe eens een beetje christelijk!
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
1. te maken hebbend met het christendom
|
|