gelovig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lo·vig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelovig geloviger gelovigst
verbogen gelovige gelovigere gelovigste

Bijvoeglijk naamwoord

gelovig

  1. vast en innig gelovend in een god of goden
    Ik ben gelovig en ga iedere week naar de kerk.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen