bescheiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·schei·den
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bescheiden bescheidener bescheidenst
verbogen - bescheidenere bescheidenste

Bijvoeglijk naamwoord

bescheiden

  1. geen te hoge verwachtingen van zichzelf hebbend
    Hij is een zeer bescheiden jongen, maar hij heeft veel talent.
  2. niet de indruk makend te hoge verwachtingen van zichzelf te hebben
    Hij stelde zich bescheiden op.
  3. niet groots of talrijk
    Met bescheiden hulpmiddelen trok hij het oerwoud in.
  4. niet opdringerig
    Naar mijn bescheiden mening is dat niet waar.
Afgeleide begrippen
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bescheiden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bescheid


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bescheiden
bescheidde
bescheiden
gemengd volledig

Werkwoord

bescheiden

  1. (overgankelijk) (verouderd) over iemand beslissen, iets bepalen
    Niemand weet wat God over hem bescheiden heeft.


Duits

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
bescheiden
bescheidener
am bescheidensten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

bescheiden

  1. bescheiden
Afgeleide begrippen

Werkwoord

bescheiden

  1. informeren, op de hoogte brengen, op de hoogte stellen