bescheid
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- be·scheid
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bescheiden |
bescheid
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bescheiden
- Ik bescheid.
- gebiedende wijs van bescheiden
- Bescheid!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bescheiden
- Bescheid je?