scheiden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schei·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| scheiden |
scheidde |
gescheiden |
| gemengd | volledig | |
Werkwoord
scheiden
- (overgankelijk) in afzondering brengen
- In deze machine wordt het waardevolle erts gescheiden van de rest van het opgegraven gesteente.
- (overgankelijk) het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
- (ergatief) ~ van: een huwelijksband verbreken
- Hij is al enige tijd van haar gescheiden.
- (onovergankelijk) uiteengaan
- (wederkerend) zich ~: afsplitsen