vastmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vast·ma·ken
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vastmaken /ˈvɑstˌmakə(n)/ |
maakte vast /ˌmaktə ˈvɑst/ |
vastgemaakt /ˈvɑstxəˌmakt/ |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
vastmaken
- (overgankelijk) ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
- Als je je fiets niet vastmaakt, dan wordt hij misschien gestolen.