beleg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[2] Kaas als beleg.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·leg
enkelvoud meervoud
naamwoord beleg -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

beleg o

  1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
  2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
  3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beleggen

beleg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beleggen
    Ik beleg.
  2. gebiedende wijs van beleggen
    Beleg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beleggen
    Beleg je?

Meer informatie