beleg
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·leg
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beleg | - |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
beleg o
- langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
- voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
- afgewerkte tegenkant van naaiwerk
Afgeleide begrippen
- [1] belegeren
Vertalingen
1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| beleggen |
beleg
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beleggen
- Ik beleg.
- gebiedende wijs van beleggen
- Beleg!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beleggen
- Beleg je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.