beet
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- beet
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beet | beten |
| verkleinwoord | beetje | beetjes |
Zelfstandig naamwoord
beet
- m een samenklemming tussen de kaken
- De beet van een dolle hond is een ernstige zaak.
- m een steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect
- De huilende baby zat onder de beten, want er was een mug in de kamer.
- v/m (plantkunde) biet
Vertalingen
Bijwoord
beet
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: te pakken, vast
- beethouden: Hij hield haar stevig beet.
Afgeleide begrippen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bijten |
beet
- enkelvoud verleden tijd van bijten
- Ik beet.
- Jij beet.
- Hij, zij, het beet.
- Ik beet.