beet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • beet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beet beten
verkleinwoord beetje beetjes

Zelfstandig naamwoord

beet

  1. m een samenklemming tussen de kaken
    De beet van een dolle hond is een ernstige zaak.
  2. m een steek door de monddelen van een kaakloos wezen, zoals een insect
    De huilende baby zat onder de beten, want er was een mug in de kamer.
  3. v/m (plantkunde) biet
Vertalingen

Bijwoord

beet

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: te pakken, vast
    beethouden: Hij hield haar stevig beet.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
bijten

beet

  1. enkelvoud verleden tijd van bijten
    Ik beet.
    Jij beet.
    Hij, zij, het beet.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen