bet
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| bet | bets |
Zelfstandig naamwoord
bet
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to bet |
| he/she/it | bets |
| verleden tijd | bet betted |
| voltooid deelwoord |
bet betted |
| onvoltooid deelwoord |
betting |
| gebiedende wijs | bet |
Werkwoord
bet
- (onovergankelijk) wedden, gokken
- «Het was betting the teacher wouldn't notice.»
- Hij gokte erop dat de leraar het niet zou zien.
- «Het was betting the teacher wouldn't notice.»
- vaak gebruikt voor een verzekering dat iets zo is: "daar kun je op wedden"
- «So you are coming? - You bet!»
- Dus je komt? - Natuurlijk!
- «So you are coming? - You bet!»
Noors
Woordafbreking
- bet
Werkwoord
bet
- verleden tijd van bite