bet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
bet bets

Zelfstandig naamwoord

bet

  1. weddenschap
  2. gok


vervoeging
onbepaalde wijs to bet
he/she/it bets
verleden tijd bet
betted
voltooid
deelwoord
bet
betted
onvoltooid
deelwoord
betting
gebiedende wijs bet

Werkwoord

bet

  1. (onovergankelijk) wedden, gokken
    «Het was betting the teacher wouldn't notice.»
    Hij gokte erop dat de leraar het niet zou zien.
  2. vaak gebruikt voor een verzekering dat iets zo is: "daar kun je op wedden"
    «So you are coming? - You bet
    Dus je komt? - Natuurlijk!


Noors

Woordafbreking
  • bet

Werkwoord

bet

  1. verleden tijd van bite
Synoniemen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen