bedriegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bedriegen bedriegend
bedrog bedrogen
bedrieger bedrieglijk
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drie·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van een niet langer bestaand werkwoord *driegen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedriegen
/bə.'dri.ɣə(n)/
bedroog
/bə.'drox/
bedrogen
/bə.'dro.ɣə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

bedriegen

  1. (overgankelijk) iemand met kwade opzet in de waan brengen, misleiden
  2. (overgankelijk) ontrouw zijn aan
Verwante begrippen
Anagrammen
  • bedriegen
Vertalingen