frauderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- frau·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| frauderen |
fraudeerde |
gefraudeerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
frauderen
- (inergatief) fraude plegen, oneerlijk handelen
- Er is bij die zaak grof gefraudeerd.