bedrieg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drieg

Werkwoord

vervoeging van
bedriegen

bedrieg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedriegen
    Ik bedrieg.
  2. gebiedende wijs van bedriegen
    Bedrieg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bedriegen
    Bedrieg je?