zwoeger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwoe·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zwoeger zwoegers
verkleinwoord zwoegertje zwoegertjes

Zelfstandig naamwoord

zwoeger m

  1. iemand die met veel moeite en grote inzet zijn werk verricht
    • - Jan is een echte zwoeger, maar toch komt hij er. 
    • - Want hoewel we misschien om de wonderlijke charme van zijn definitie van 'olifant' lachen, of van 'haver' (een graangewas dat in Engeland over het algemeen aan paarden wordt gegeven, maar in Schotland de mensen voedt') of 'lexicograaf (een schrijver van woordenboeken; een onschadelijke zwoeger die zich bezighoudt met het opsporen van de oorsprong en het nauwkeurig beschrijven van de betekenis van woorden'), we kunnen alleen maar versteld staan van zijn aanpak van, zeg maar, het werkwoord take. Johnson gaf met ondersteunende citaten niet minder dan 113 betekenissen van de transitieve vorm van dit werkwoord en 21 van de intransitieve. [1] 
Synoniemen
Hyperoniemen

Verwijzingen

  1. Winchester, Simon De gekwelde woordenaar vertaald door Peter Out 1998 ISBN 90-254-2146-6 pagina 105

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.