zwaarhoofdig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwaar·hoof·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zwaarhoofdig zwaarhoofdiger zwaarhoofdigst
verbogen zwaarhoofdige zwaarhoofdigere zwaarhoofdigste
partitief zwaarhoofdigs zwaarhoofdigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zwaarhoofdig [1]

  1. al te nauwgezet
    • ‘Schrijvers en vertalers wonen in het juiste woord. Zij leven voor de geest, zij hoeden de taal, en weten zich op grond daarvan verplicht al hun woorden, komma’s en gedachtestreepjes op goudschaaltjes te wegen, striktelijk, gestreng, knijperig, angstvallig, maltentig, scrupuleus, bekommerd en zwaarhoofdig, en even vaak voelen zij zich geroepen alle regels en geboden van de taalzeden aan de laars te lappen…’ [2] 
  2. pessimistisch
    • Mijn tweede antwoord is ja. Het is elke keer doodjammer als er weer een woord verdwijnt, want in elk daarvan hebben onze voorvaders iets van hun wereldbeeld nagelaten. In de biolychnische tafel, bijvoorbeeld (statistiek waarmee je de levensverwachting van iemand kon berekenen), de letterbaas (geleerde), de rinkelrooister (hoer), het ikkerschap (hoogmoed), weeps eten (smakeloos), het zwaarhoofd (pessimist). [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Arie van den Berg 22 mei 2015 Zondagmiddagglibberpuddinggroen
  3. De Standaard 26 MAART 2012 OM 03:00 UUR | Ludo Permentier Uitsterven