zakenman

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·ken·man
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zakenman zakenmannen
zakenlieden
zakenlui
verkleinwoord zakenmannetje zakenmannetjes

Zelfstandig naamwoord

zakenman m

  1. (beroep) iemand die met zakendoen zijn brood verdient
    • Hij is een gewiekst zakenman. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie