wilgenroosje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Epilobium angustifolium

Nederlands

wilgenroosje
Uitspraak
Woordafbreking
  • wil·gen·roos·je
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord (wilgenroos) * (wilgenrozen) *
verkleinwoord wilgenroosje wilgenroosjes

Zelfstandig naamwoord

wilgenroosje o dim. tant.

  1. (plantkunde) Chamerion angustifolium op Wikispecies plant met roze bloemen die vooral groeit in een waterrijke omgeving
    • Ook de flora van de Biesbosch is bijzonder. De meeste planten zijn gebonden aan een vochtig milieu. Bijzonder is de spindotter, een plant die nergens anders ter wereld voorkomt. In de doorgeschoten grienden groeien veel brandnetels, maar ook groot- en oranje springzaad, harig wilgenroosje, groot heksenkruid en kattenstaart. [2] 
Opmerkingen
  • De officiële benaming van de soort is het verkleinwoord. De niet verkleinde vormen komen soms voor, maar zijn niet gangbaar.
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen