wilg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wilgen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wilg
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1287 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wilg wilgen
verkleinwoord wilgje wilgjes

Zelfstandig naamwoord

wilg m

  1. (plantkunde) Salix sp. een boomsoort die het in drasse gebieden goed doet
    • Die wilgen kunnen beter geknot worden, anders waaien ze maar om. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets aan de wilgen hangen = ermee stoppen. Bvb: De chirurg hing zijn scalpel aan de wilgen. (Hij oefent het beroep niet meer uit.)
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen