verplegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ple·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verplegen
verpleegde
verpleegd
zwak -d volledig

Werkwoord

verplegen

  1. overgankelijk een zieke verzorgen
    • Hij verpleegde zijn vrouw toen zij bedlegerig werd. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.