vermoeidheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·moeid·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vermoeidheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vermoeidheid v

  1. moeheid
     Meteen na de start, meldde ze zich vooraan, pal achter Can, en pal voor Grøvdal en de Zwitserse Fabienne Schlumpf. Maar gaandeweg begon ze van vermoeidheid te trekkebekken en kort daarop groeide het gat met de koplopers, Can, Schlumpf en uiteindelijk ook de Noorse.[1]
  2. verzwakking van materiaal door wisselende belasting, (bijv. metaalmoeheid)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Rob Gollin “Te grote ambitie kost Krumins een medaille bij EK cross” (9 december 2018), de Volkskrant