vermoeienis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·moei·e·nis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vermoeienis vermoeienissen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vermoeienis v [1]

  1. vermoeidheid
    • Bij veel ouderen zijn de sporen van drie dagen carnaval van de gezichten af te lezen, de vermoeienis slaat onbarmhartig toe. Niet bij de kinderen. De 'dolle dinsdag' is hun dag. In Losser lijkt het circus neergestreken. Vele tientallen verschillende dieren worden in de kinderoptocht uitgebeeld. [2] 
  2. iets wat vermoeidheid veroorzaakt; zware inspanning
    • Kirsten Wild heeft na haar gouden medaille op het onderdeel omnium bij de wereldbeker in Apeldoorn geen nieuw succes weten te behalen in de puntenkoers. De Zwolse, die vrijdag al aangaf de vermoeienissen van een lang seizoen te voelen, eindigde in de wedstrijd over twintig kilometer als negende. [3] 
    • Dinsdag kan Bertens rustig bijkomen van alle vermoeienissen en zich voorbereiden op de confrontatie met Sloane Stephens, die morgen op het programma staat. De Amerikaanse wist de andere wedstrijd in de rode groep te winnen van Naomi Osaka, de winnares van de US Open: 7-5, 4-6, 6-1. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen